


Korte verhalen
Hieronder slechts één verhaal. Wellicht binnenkort meer, maar ik wil niet al m'n kruit verschieten... veel andere verhalen komen binnenkort in Rafels.
De wijze dwaas
"Waker, vertel me waar de woorden slapen," kirt de fladderaar, en ze laat zichzelf tegen het plafond stuiteren.
De waker kralt zich in zijn rimpels.
"Ohnee, zwamdrift, klein flinsterding. Jouw gedachten zijn te week en vloeibaar. Stil toch, of je maakt de woorden nog wakker." Hij bochelt voorover.
"Mijn hart is gerimpeld, mijn ziel gedroogd als een herfstblad."
De fladderaar ritselt ongeduldig en stuitert nu tegen de muren.
"Ach jij, brombeer van taal. Maak ze wakker, dan kan ik met ze dansen! Ik wil tripselen met de woorden".
De waker grauwelt.
"Je weet niet hoe het was, hoe de gruwzame oorlog was. De oorlog om de woorden, tussen de wijzen en de dichters. Gruwzaam en grauwbaar!"
De fladderaar flierpt zwoelblij en zwerft een rondje om zijn stoppels. "Prrrrrr, vertel me over de oorlog! De grote gruwzame strijd om de woorden! Frrrrrr!"
De waker murmelt rochelend en bochelt nog verder.
"De Dichters regeerden. Oh, chaos, de Woorden bonkten en miespelden alle kanten op, ze groeven tunnels naar de maan tot ze er bij de korst weer uit kwamen, helemaal naar het midden! Ze lieten de oceanen vol en leeg stromen van rusteloos gedaas tot de hemel groen zag van de vissen!
Alle bomen konden dansen zodat de seizoenen achteruit liepen! Denk je in, sneeuw in de winter, banaal! Woorden, overal Woorden, ze speelden met de taal alsof het vliegjes waren, honderden vliegjes, op je ogen, in je neus, op je tong, in je keel, zodat je sprak met honderden kleine stemmetjes van veelvoudige rijmelarij!
Er was genoeg zwoelblij in de manden voor iedereen, iedere dag opnieuw.
Toen kwamen de Wijzen. Ze vingen de Woorden, en sloten ze op in verdroogde boeken, tussen beklemmende bladzijden van kooiende stilte. De droge verstoffende verterende rust! Alle woorden slapen nu, tot ze enkel gebruikt worden in de monden van anderen. Als slaven, niet in staat zichzelf uit te spreken."
De kleine flinsterfladeraar twinkelt van ingehouden glimlachjes. "Ik zal ze bevrijden, ik wil met de woorden tripselen, drentelen, hinkeldansen! Leer me de boeken lezen!"
De waker broemelt, maar niet van grauwigheid.
"Zwamdrift, klein tinkelding, zwamdrift, men kan zich enkel verdedigen met de pen, en je hebt nog niet eens de letters geleerd! Vlucht liever!
De wijzen wilden de woorden beschermen! Voor de babbelaars, de kletsmajoors, de praathoofdigen! Die de woorden misbruiken als vretende zwompen, zonder ze zich te herrinneren, zonder eer te betonen aan hun voedsel. Zij zijn het gruwelijkst! Daar komen ze al, ze stompelebonzen, ze platstampewalzen, ze zwompewalgen, met kranten, gruwzame kranten, vol lege dode woorden! Ze zullen je drukken in zwart en wit tot je opgelezen wordt."
In de verte komt een rommel aangruizen, duister de zon verstoffend.
De fladderaar spitst zich en schicht achter de wolken.
De waker buigt zich omhoog, zijn scherpe pen omklemmend.
"Als je bij de tunnels in de maan komt, neem je dan inkt voor me mee?"





