






Gedichten
Dit is een kleine selectie. Deze en andere gedichten zijn te vinden in dit oude dagboek.
De verdrinker
opnieuw drink ik
mijzelf tot aan de poorten van de hel
een groet, een laatste snik
nog zegt het leven geen vaarwel
hoe diep liet ik mij zinken
in zoet vergif, vloeibaar venijn
wie kan ooit verdrinken
zoveel wanhoop, wrede pijn
ik bied allang niet meer verzet
tegen katers, hoofd- of maagpijn
maar die kale wanden, dat lege te grote bed
dat zou de laatste druppel kunnen zijn
tot een ruïne maakte mij het leven
met wanhoop en milde tegenzin
niemand had mij ooit iets te geven
gooide ik mijn eigen glazen in
niet slechts vocht maar scherp glas
snijdt nu mijn leven spattend eruit
maar nog brandt het verlangen, hoe diep dat was
naar zachte armen, warm stemgeluid
maar weer grauwt het ochtendgloren
dat ik ontwaak in eigen kots
keel en tong en waanzin weer verloren
en met mijn kop tegen de glazen bots
Wijsheid
Woorden zal ik drinken
Als wijn en poezie
Zal in mij klinken
De schranderheid van het genie
Wijsheid wil ik doorgronden
Zoete klanken der filosofie
Het hart verwonden
De bezetenheid van het genie
Dromen
Ik droomde dat ik een glazen baby baarde, en die viel stuk.
Ik droomde dat ik in een toren woonde van spiegels tot in de wolken.
Ik droomde dat ik seks had met Edgar Allen Poe op een campingtoilet.
Ik droomde dat ik verkracht werd door de Gremlins.
Ik droomde dat een weiland met stapelbedden het angstaanjagendste is wat mensen aan het wegrennen maakt.
Ik droomde van een meisje dat in een lift woont samen met stier Herman.
Ik droomde van paarse paarden en een file van kinderwagens in het bos.
Ik droomde dat Legolas een seriemoordenaar was, en ik een oude man die van een wenteltrap viel.
Ik droomde dat een kapotte TL-bak het meest erotische is dat ik tot dusver ooit heb mogen aanschouwen.
Een heel nieuw avontuur
Terwijl mijn zwart konijn danst in het zand, glinster ik op mijn rug naar de marmeladelucht.
Ik roep mijn liefste wolk om samen weg te zwemmen.
‘Wat zullen we allemaal doen vandaag?’, vraag ik aan de wolk.
Mijn zwart konijn plukt sterren in een vaas.
Buiten regent het zand. Ik klap de marmelade rood.
Twee handen in de lucht. Laten we dansen tot we dood zijn.
Dansje
Buiten wentelt de wereld in wellust en geschrans,
terwijl ik mijn dansje dans.
Warme regen spoelt het kwijl van oude minnaars van mijn borsten.
Kom, deel de gifbeker nog eens rond,
voor het doek voor het wereldtoneel valt!
Ik wek mijn geliefde uit zijn winterslaap en neem hem bij de hand.
Het lied van de violist drijft over de wolken naar de overkant.
Geraniums
Vandaag zou ik graag een ode geven aan de eenzaamheid
De eenzaamheid, lieve ogen, wordt zwaar ondergewaardeerd
terwijl zij zo veel mensen voortdurend vergezelt die tegen de ramen klotsen met beukende polsen zonder geluid met open monden van verontwaardiging.
Die zonder te haperen op harten drukt van stormachtige zwaarheid terwijl men roekeloos tranen plempt zonder te peinzen over het zout op Aarde.
Ik hef graag een loflied aan voor zij die onvermoeibaar neerhaalt, armen maaien laat in dorstige uithalen boven de storm uit, de razende storm van mensengeluiden, waar men zich daverend in rondtolt.
Men wentelt in treurnis, die gevoed moet worden, door wie, raad door wie, die gevoed moet worden, men wentelt in treurnis. Eenzaam lijden we de dagen door achter het onverbiddelijke, het medogenloze glas.
Klotsend beukt men in stilte tegen glazen muren met smachtend staren zonder horizon, met onvermoeibaar het hart neerdrukken in plempende eenzaamheid van ruis.
Maar de geraniums groeien immer onverstoorbaar door.
Mijn witte raaf
sla je armen om mij heen, mijn raaf
druk je haren tegen mijn gezicht
ik ben zo vaak alleen, mijn raaf
maar jij maakt al mijn angsten licht
ik sla mijn armen om je heen, mijn raaf
doe je ogen toe
de wereld is gemeen, mijn raaf
maar ik kus je snavel moe
Zonder titel
Er wriemelt iets vlak onder mijn huid, als grote insekten.
Als ik een gaatje maak kruipen ze eruit.
De woorden zijn mijn ogen ingekropen en hebben zich onder mijn huid genesteld, ik voel hun poten in mijn vlees.
Ik wil draadjes uit mijn hoofd, naar alle kanten, alle mensen, alle gedachtes als stroompjes naar mijn hoofd
Ik wil mijn ogen dicht doen en als ik ze open zijn ze zoals ik wil en groot geweldig mooi de wereld zien
Ik wil in een zeepbel zweven en als ik prik knalt de wereld uit elkaar
De vooruitgang
couveuses met een kattenluik
ieder een chip in z'n buik
haal je pinpas door je reet
tis allemaal chemisch wat je eet
Vergane glorie
a chantez, cherie
lachte de verlopen sloerie
in de grijze salon
terwijl het troosteloze avondlicht
door de vuile ramen binnenwaaiert
ver voorbij haar houdbaarheidsdatum
goedkoop masker van plamuur, die dwepende blik
korset krakend als een driemaster in de storm
cigarette
in houder geklemd tussen gele, roodgelakte vingers
de tientjeshoer
wist zij zelf ook wel
dat er iedere dag meer mannen bijkwamen
die zij niet langer verleiden kon
Sneeuwlachjes
Kleine belletjes
glinsterblij
tinkelspringen
op de warme winterwind
flinterglinster
morgenvlokjes
vliegvleugelen
lentetwinkelzonnestreepjes
kleurenfluister-wit
kleine dartelkou
besluip-luister
rinkellichtjes-echo
Nachtdromen
Ik droomde dat ik wakker was
en sliep en God opnieuw
de wereld schiep
achter mijn dichte ogen
Bomen trok hij overeind en sterren
krompen samen en God blies
leven en de zeeën terug
over het land en Amen
Ik zocht je gezicht
gisteren is duizend jaar geleden
ik liep 's nachts over zachte Aarde
in elke steen waren dode gezichten
dat ene gezicht was er nooit bij
ik wenste dat ik koningin was
alleen voor deze nacht
en alleen ik wist dan dat vandaag
de laatste dag was, stralend op de stenen
duizend jaar heb ik gezocht
gegraven in de zachte Aarde
de stenen groeiden, haalden blote voeten open
ik, koningin van de nacht
als het laatste gezicht gevonden is
wordt ik koningin voor één nacht
die eeuwig duren zal
duizend jaar, duizend gezichten
ik zocht naar jouw gezicht
en heb het nooit gevonden
en alleen ik wist dat de laaste dag
nooit stralen zou op de gebroken stenen





